
Jurisprudentie
AV6391
Datum uitspraak2006-03-17
Datum gepubliceerd2006-03-23
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Alkmaar
Zaaknummers143287
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-03-23
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Alkmaar
Zaaknummers143287
Statusgepubliceerd
Indicatie
BOPZ, toetsing rechtmatigheid IBS (art. 21 BOPZ), last wethouder gelijktijdig met geneeskundige verklaring, officier van justitie niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK TE ALKMAAR
Sector civiel recht
Kenmerk: 143287
Datum: 17 maart 2006
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken
gezien het verzoek van de officier van justitie d.d. 16 maart 2006, tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling
[naam],
geboren op [geboortedatum],
wonende te [adres + woonplaats],
verblijvende in Centrum voor de Geestelijke Gezondheidszorg Dijk en Duin,
afdeling Prof. van der Scheer I, te Castricum.
gezien de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder afschriften van de beschikking van de burgemeester van de gemeente Hoorn d.d. 14 maart 2006 en van de geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen;
gehoord betrokkene en zijn advocaat mr. M.R. Ploeger,
mevr. [naam verpleeghuisarts nr. 1], (verpleeghuisarts),
alsmede mevr. [naam verpleegkundige], (verpleegkundige).
de beoordeling van het verzoek:
In spoedeisende gevallen kan het noodzakelijk zijn dat iemand in verband met een geestesstoornis tegen zijn of haar wil wordt opgenomen, zonder een voorafgaand verhoor door een rechter. In de wet BOPZ is hiervoor een regeling opgenomen, die ervan uit gaat dat ten minste één objectieve buitenstaander over die gedwongen opname beslist. Als bevoegde instantie wijst de wet BOPZ hiertoe de burgemeester aan van de gemeente, waarin de op te nemen persoon zich bevindt. De burgemeester kan op zijn beurt zijn wettelijke bevoegdheid overdragen aan een wethouder.
Mede naar aanleiding van telefonische informatie, die de rechter voorafgaand aan het verhoor van de heer [naam arts-assistent], (arts-assistent) te Hoorn, heeft ontvangen, dient de gang van zaken in het onderhavige geval als volgt te worden geschetst.
Betrokkene was opgenomen in verpleeghuis De Hooge Hop te Hoorn. De verpleeghuisarts, [naam verpleeghuisarts nr. 2], heeft in verband met incidenten in het verpleeghuis contact opgenomen met de dienstdoende 'IBS-arts', in dit geval de heer [naam arts-assistent] (arts-assistent), werkzaam in het Westfries Gasthuis te Hoorn en betrokkene aangemeld voor een IBS-toetsing. De heer [naam arts-assistent] is vervolgens afgereisd naar het verpleeghuis. In de tussentijd heeft de verpleeghuisarts de geneeskundige verklaring ingevuld, echter niet alleen voor wat betreft de personalia van de betrokkenen, maar ook de onderdelen "psychiatrisch onderzoek", "gevaar" en "overwegingen". De heer [naam arts-assistent] heeft ter plaatse om 19.30 uur betrokkene gesproken en zelf onderzoek verricht. Hij heeft hierna op de geneeskundige verklaring de onderdelen 4 b. en 4 c. ingevuld.
Hoezeer dit ook uit overwegingen van efficiency valt te begrijpen, het is niet in overeenstemming met de bedoelingen van de wetgever. Van een objectieve toets door een niet bij de behandeling betrokken arts blijft niet veel over, indien deze laatste slechts voor akkoord ondertekent, wat een andere, wel bij de behandeling betrokken arts, aan hem voorlegt.
Daarbij komt in deze zaak nog het volgende.
Na het verrichte onderzoek heeft de heer [naam arts-assistent] de geneeskundige verklaring ondertekend en telefonisch contact opgenomen met de wethouder, die gemandateerd was om de IBS-beschikking te verlenen. Gelet op het tijdstip, dat is ingevuld op de IBS-beschikking van de wethouder, "19.30 uur", kan de wethouder de geneeskundige verklaring niet hebben ingezien, voordat hij de last tot inbewaringstelling heeft gegeven. Dat is in strijd met art. 21 van de wet BOPZ. Daaruit volgt expliciet dat de burgemeester een IBS pas mag gelasten nadat hem een schriftelijke geneeskundige verklaring is verstrekt.
Gelet op het een en ander is de last tot IBS niet rechtmatig gegeven. Een verzoek tot verlenging daarvan kan daarom niet worden toegewezen. Daarom zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren.
verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling.
Aldus gegeven te Castricum op 17 maart 2006 door mr. L.J. Saarloos, rechter van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken in bovengenoemde rechtbank, in tegenwoordigheid van E.B.B.M. van Linden als griffier.

